Met landgoederen en parken groenste stad van Nederland?

hoofdstuk 28

Enschede was vanaf de Franse tijd een kleine gemeente, een stadje van zo’n zestig hectare, zeg maar honderdtwintig voetbalvelden, volgebouwd met vooral textielfabrieken met stank en stoom spuwende schoorstenen, maar ook riante stadsvilla’s, neerslachtige buurten voor de armen, een levendig marktplein met rondom de kerken van protestanten, katholieken, doopsgezinden en Joden. Even verderop het stadhuis en de Groote Sociëteit, waar de Heeren van de stad zich vermeiden. Rondom dit stedelijke gebiedje strekte zich het uitgebreide Twentse groen uit, met verrassende vergezichten, wonderschone wolkenluchten, hier en daar een molen, een kerkje in de verte. In het stadje zelf was er nauwelijks groen, misschien hier en daar een boom, wat struiken, een grasperkje. De weiden, de bossen, de heide, de vennen lagen op het grondgebied van de gemeente Lonneker, misschien toen wel één van de groenste gemeenten van ons land. Dat beeld veranderde drastisch in 1934, door het samengaan van het benepen stadje Enschede en het uitgestrekte, groene Lonneker. Vanaf dat moment mocht Enschede zich tooien met de vererende titel ‘Stad in het groen’. Misschien wel de groenste stad van het land?

Verder lezen?


Bronnen

29 / Landhuizen van fabrikanten, etalages van zakelijk succes

Naar begin Geschiedenis