Landhuizen van fabrikanten, etalages van zakelijk succes

hoofdstuk 29

‘Twente was nog zooals het oude Holland: machtige heeren, die zich mooie grote huizen bouwden, maar waar het zakelijke stempel van eenvoud en arbeidzaamheid op gedrukt bleef.’1 Dat vond Marie van Nieukerken, de Nederlandse architect, die samen met zijn vader Johannes en zijn broer Johan in heel Nederland faam had verworven met restauraties van kastelen en ontwerpen voor riante landhuizen en kolossale kantoorgebouwen. Hij had snel door dat Twentse opdrachtgevers bijzonder waren. Maar wilde Herman van Heek, firmant van Van Heek & Co., een villa die ‘eenvoud en arbeidzaamheid’ uitstraalde, of had hij verhevener ideeën? Herman had evenals vele van zijn collega’s in de textielbranche in de eerste twee decennia van de twintigste eeuw zijn vermogen verworven, hij zocht historie, luxe en weelde, toen hij Marie van Nieukerken vroeg een villa voor hem te ontwerpen.

Van Heek liet de architect weten wat hem en zijn echtgenote Bertiena Jannink voor ogen stond. Hun nieuwe huis Hooge Boekel moest worden gebouwd in de geest van de oude Twentse havezaten en het moest de statigheid hebben van het Nijenhuis bij Heino, kasteel Diepenheim bij Diepenheim of huis Weldam bij Goor, alle drie adellijke bezittingen, uit de zeventiende of achttiende eeuw, ‘maar liever nog strenger’.2 

Verder lezen?


Bronnen

30 / ‘In onze werkstad geen plaats voor gebouw vol weelde’

Naar begin Geschiedenis