Boekelo, bleken bij beken, zout en zee op de heide

hoofdstuk 25

Cornelis Pronk, tekenaar, maakte in 1729 een zwerftocht door de Twentse dreven, samen met zijn leerling Abraham de Haen de Jonge en zijn vriend Andries Schoemaker, een Amsterdamse linnenkoopman, geboren in Almelo. Ze zagen hoe grote gezinnen woonden in kotten, soms zelfs in een varkenshok en in kamers in de lijftocht, het huisje dat naast de boerderij was gebouwd voor grootvader en grootmoeder. Woest, onontgonnen was de omgeving, met eeuwenoude hoogveengronden en heidevelden zo ver het oog reikte. Cornelis Pronk was geroemd om zijn fijn getekende stadsgezichten, huizen, kastelen en kerken, armoede scheen niet te bestaan, het regende nooit, altijd scheen de zon, ook Twente leek een idylle.1 Met Schoemaker en De Haen bezocht de tekenaar ook ’t Hof te Boekel, ‘een ridder­hofstad […] hebbende Enschede oostelyk van zig leggen’, schreef Schoemaker op. 

Verder lezen?


Bronnen

26 / Glanerbrug, van gehucht tot dorp, ‘iets Amerikaans’

Naar begin Geschiedenis