Jan Bernard Blijdenstein, patriot, maire van Enschede

hoofdstuk 8

Het was die dag feest in het stadje, donderdag 18 november, Sint Maartensmarkt, het was ‘koude kermis’.1 Er werd gedanst in de herberg om de hoek in de Haverstraat. Voorbijkomende Kozakken, op de terugweg na een oriënterend bezoekje, wilden wel even meegenieten van de feestvreugde. Ze maakten hun paardjes vast aan de afsluitkettingen voor het huis van maire Blijdenstein aan de overkant en dansten vrolijk mee, tot groot plezier van de meisjes. ‘Jammer dat een der boerinnetjes zich daarbij zo opwond, dat zij het hartstochtelijke dansen met den dood moest bekopen’, legde Benthem vast in zijn verslag over de gebeurtenissen in 1813 in Twente. Feest was het, ook in de dagen daarna, toen de Kozakken de stad waren binnengekomen, via de Eschpoort, langs het huis van maire Jan Bernard Blijdenstein. Maar nergens wapperde al het rood-wit-blauw van de nationale vlag, met een oranjewimpel. Dat duurde tot de vroege middag van 5 december 1813, toen Berend Hendrik baron Bentinck tot Buckhorst, de kamerheer van de Prins van Oranje Nassau, die benoemd was tot Provicioneelen Gouverneur, in alle kerken en bedehuizen in Twente na afloop van de dienst liet afkondigen, dat van alle kerktorens en gemeentehuizen de nationale driekleur voortaan weer mocht wapperen. ‘Twente had zich weer in een vaderlandsch kleed gestoken’, aldus verslaggever Benthem.2 

Verder lezen?


Bronnen

9 / Redding voor Twente, textiel niet naar ‘oud-Hollandse binnensteden’

Naar begin Geschiedenis